Outsider Art
Sinds de Renaissance wordt kunst in de westerse wereld niet alleen begrepen als een kwestie van creativiteit en scheppingskracht, maar ook als een professionele traditie met eigen opleidingen en maatstaven. Outsiderkunst is een verzamelnaam voor kunstwerken die om verschillende redenen buiten het reguliere circuit van academische opleidingen, galeries en musea worden geproduceerd.
Outsiders
Outsiders werken niet in reactie op voorgangers of tijdgenoten, noch voor een publiek, maar uit een eigen behoefte, voor hun plezier of omdat ze voelen dat ze dat moeten. Ze vormen dus geen historische stijl, stroming of school, maar een verzameling individuele scheppers. Niet zelden gaat het hierbij om visionair of mediamiek begaafde kunstenaars, psychiatrische patiënten, makers van ‘fantastische’ bouwwerken, verstandelijk gehandicapten, autodidacten, naïeven of anderszins ‘excentrieke’ scheppers, maar noodzakelijk is dat niet. Ook ‘gewone’ burgers kunnen outsiderkunst van hoog artistiek niveau maken. Bij het verzamelen staat dan ook niet de hoedanigheid van de kunstenaar, maar de artistieke kwaliteit van diens werk voorop.
Kenmerken
Outsiderkunst kenmerkt zich door een geheel eigen, hoogst individuele creatieve aanpak of visie. Het zijn de bijzondere ontstaansomstandigheden die haar onderscheiden van zowel de volks- en amateurkunst als van de kunst uit de mainstream, hoe avant-garde die ook tracht te zijn. Omdat zij vaak ontstaat in afzondering is de outsiderkunst relatief onafhankelijk van de cultuur, de traditie, de mode en de ontwikkelingen binnen de beeldende kunst zoals die in kunstgeschiedenissen worden uiteengezet. Het verhaal van de maker – diens leven, dromen en obsessies – is daarom relevanter dan zijn plaats ten opzichte van andere kunstenaars of de kunstgeschiedenis. Wat de outsiderkunst mist aan zelfreflectie wint zij aan fantasie en verbeeldingskracht, en daarmee aan toegankelijkheid.
De typische outsider werkt in afzondering en heeft weinig moeite met deze situatie. Hij protesteert niet, roept niet om emancipatie, vecht niet voor erkenning, noemt zichzelf geen outsider en alleen dan kunstenaar wanneer hem dat door anderen wordt ingegeven, en is tenslotte niet eens altijd blij met alle aandacht die volgt op zijn ‘ontdekking’ omdat dit hem stoort in zijn werkzaamheden. Dit gegeven, dit grote contrast met het schreeuwerige kunstcircus van vandaag de dag, is zeker iets wat mensen aanspreekt en intrigeert in de outsiderkunst. Het heeft ook geleid tot onterechte idealiseringen en karikaturen, want het is altijd met behulp van de een of andere Ander dat wij onszelf definiëren. Zo is de outsider gaan staan voor alles wat wij niet zijn, of niet meer zijn, of niet meer denken te zijn: zuiver, oorspronkelijk, spontaan, oprecht, authentiek, origineel, direct. Het zijn kwalificaties waarmee de outsiderkunst herhaaldelijk positief wordt afgezet tegen de ‘gewone’ kunst, die dan onoprecht, kunstmatig, intellectualistisch, elitair of commercieel zou zijn, maar in feite zegt dit meer over hen die zulke termen bezigen dan over de outsider zelf.
Natuurlijk wordt er buiten het beroepscircuit nog veel meer kunst gemaakt, zoals ‘primitieve kunst’, volks- zondags- en amateurkunst. Toch behoren al deze categorieën niet tot de outsiderkunst omdat de makers in min of meer professionele tradities staan of zich vaak duidelijk spiegelen aan voorbeelden uit de kunstgeschiedenis. Maar natuurlijk zijn er ook amateurs die zich daar niets van aantrekken, die geen idee hebben van de kunstgeschiedenis of de stijlen en stromingen die tegenwoordig heersen, die misschien zelfs nog nooit een tentoonstelling hebben gezien, en zij worden ‘naïeve’ kunstenaars genoemd.
Er zijn natuurlijk altijd zulke ‘naïeven’ geweest die buiten het kunstcircuit creatief zijn. Pas in de late negentiende eeuw, toen het keurslijf van Salon en Academie sommigen wat al te knellend werd, werd dat eenvoudige feit herontdekt, maar omdat het de ontdekkers toen al zo vreemd voorkwam, zijn zij gaan spreken over naïeve, psychiatrische, rauwe en outsiderkunst en hebben zij deze, net als eerder Afrikaanse maskers en kindertekeningen, ingezet als wapens in de strijd tegen vastgeroeste tradities waarin alle originaliteit en authenticiteit verloren leek gegaan. Toch is dat, in breder perspectief, vreemd, alsof het om een uniek verschijnsel gaat, alsof iedereen die niet beantwoordt aan het beeld van de kunstenaar als een beroepsbeoefenaar eigenlijk geen ‘echte’ kunstenaar kan zijn, alsof artistieke creativiteit iets abnormaals is wanneer het niet binnen de geijkte maar o zo beperkende beroepskaders plaatsvindt.
Laten we daarom, bij wijze van gedachte-experiment, er eens van uitgaan dat wat wij outsiderkunst zijn gaan noemen in feite de normaalste zaak van de wereld is, en dat juist de professionalisering van de creativiteit, het beperken van creatief gedrag tot een daartoe opgeleide beroepsgroep, de eigenlijke anomalie is.
Dat is wat men ook in iedere collectie van outsiderkunst kan zien: objecten met een onmiskenbare creatieve en artistieke dimensie, die evenwel níet voortkomen uit het zo even geschetste systeem van kunstproductie. Outsiderkunst leert ons dat kunst overal kan ontstaan, ook buiten het westerse cultuurgebied, want het zou absurd zijn te veronderstellen dat de onafhankelijke creativiteit van de outsider voorbehouden is aan westerlingen.
Terminologie
Steeds opnieuw duikt het verlangen op naar andere termen voor outsiderkunst, maar de inmiddels talloze voorstellen daartoe, van ‘marginale’ tot ‘zonderlinge’ en van ‘visionaire’ tot ‘spontane’ kunst, hebben het nooit kunnen winnen van outsiderkunst als handige en aansprekende parapluterm en dekken ook vaak de lading niet. Sommige critici pleiten voor afschaffing van al dergelijke adjectieven die zij als stigmatiserend ervaren, en willen alleen nog van kunst sec spreken. Zij zouden liever zien dat iedereen die kunst maakt gelijk wordt behandeld en geloven dat de markt voldoende garanties biedt om kwaliteit aan de oppervlakte te brengen. Eigen podia voor de outsiderkunst zijn in deze visie dus ook taboe. Outsiders zouden net als iedereen moeten mee concurreren om zich een plaatsje in de musea voor moderne of hedendaagse kunst te verwerven, zo luidt de redenering.
Deze pleidooien blijken sterk gekleurd door democratische gelijkheidswensen, een geloof in de inherente ‘eerlijkheid’ van de markt en in de ‘openheid’ van de reguliere musea, zelfs door een verlangen om politiek correct te zijn, maar houden weinig rekening met de werkelijkheid. De reguliere kunstmusea bieden vooralsnog maar weinig ruimte aan de outsiderkunst en als zij dat doen is er altijd het risico dat zij niet om haar eigen merites, maar als inspiratiebron voor de modernen wordt opgevoerd. Maar belangrijker nog is dat hier wordt miskend dat de typische outsider zich juist níet profileert, níet de markt opgaat om zich een plaatsje in de schijnwerpers te veroveren, dat vaak niet kan en vaak ook niet eens wil. Hun buitenstaanderschap is niet slechts een romantische, modernistische of primitivistische mythe die, in navolging van andere al min of meer geëmancipeerde buitenstaanders zoals niet-westerse kunstenaars, achtergestelde etnische groepen, vrouwen en homoseksuelen, hoognodig moet worden afgebroken, maar ook een werkelijkheid, of men dat nu wenselijk vindt of niet.
Voor meer info, lees: Berge, Jos ten; De Stadshof Collection. The search for the homo ludens, in: Allegaert, P., e.a.; Verborgen Werelden. Outsiderkunst in het Museum Dr Guislain, Tielt 2007 en: Berge, J. ten (red.); Marginalia. Perspectieven op de outsiderkunst, Zwolle 2000.




